Veehouderij

Veehouderij

In Nederland wonen we, afhankelijk van de regio, in meer of mindere mate dichtbij veehouderijbedrijven. De afgelopen jaren zagen we dat het aantal dieren per bedrijf veelal toenam terwijl het aantal bedrijven afnam.

Om in te zoomen op deze infographic klikt u op deze link (klik hier).

Om in te zoomen op deze infographic klikt u op deze link (klik hier).

Daarnaast werden we in de laatste decennia geconfronteerd met enkele uitbraken van dierziekten, zoals de vogelgriep en de Q-koorts. Deze ontwikkelingen leidden ertoe dat er meer aandacht is gekomen voor de relatie tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden.

De uitkomsten van het RIVM-onderzoek Veehouderij en Gezondheid (VGO)[1], [2], [3] en het endotoxinen-onderzoek[4] benadrukken het belang om gezondheid mee te wegen bij ontwikkelingen van intensieve veehouderij, maar ook bij initiatieven zoals de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van veehouderijen.

[1] Veehouderijen en gezondheid omwonenden (VGO), Maassen K, et al, 2016
[2] Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen, Hagenaars T, Hoeksma P, de Roda Husman AM, Swart A, Wouters, 2017
[3] Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III – Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016, IJzermans CJ, Smit LAM, Heederik DJJ en Hagenaars TJ, 2018
[4] Emissies van endotoxinen uit de veehouderij, Ogink, N, et al. 2016

Belangrijke emissies vanuit veehouderijen

Veehouderijen stoten stoffen uit naar de omgeving. Hoeveel en wat er precies uitgestoten wordt, is afhankelijk van onder andere het soort en aantal dieren, het staltype en de bedrijfsvoering. Hieronder volgt een opsomming van een aantal belangrijke emissies.

Om in te zoomen op deze infographic, klikt u op deze link (klik hier).

1. Veehouderij is de belangrijkste bron van ammoniak in het milieu. Vooral in de stallen en de mestopslagplaatsen in de concentratie ammoniak hoog. Hoeveel wordt uitgestoten is afhankelijk van de diersoort, het staltype en de wijze van mestopslag. Ammoniak reageert in de lucht met daar aanwezige stoffen als stikstof- en zwaveldioxide tot ammoniumzouten. Dit is het belangrijkste onderdeel van secundair fijnstof.

2. Naast ammoniak komt er fijnstof uit de stallen vrij. Hieronder wordt verstaan in de lucht zwevende deeltjes van verschillende grootte, samenstelling en oorsprong. Er wordt onderscheid gemaakt tussen primair fijnstof, dat direct door menselijk handelen of door natuurlijke processen in de lucht terecht komt, en secundair fijnstof dat ontstaat na een chemische reactie in de lucht (zie ammoniak). Het primaire fijnstof uit de veehouderij (fractie PM2,5-PM10) bestaat onder meer uit fecale deeltjes, huid- en verendeeltje, biologische agentia en voedselbestanddelen.

In stallen komen relatief veel deeltjes groter dan 10 µm voor. Deze deeltjes zakken al na enkele tientallen meters naar de grond, waardoor de kans dat ze zich in de omgeving verspreiden klein is. Deeltjes kleiner dan 10 µm (PM10) blijven langer in de lucht zweven, verspreiden zich verder in de woon- en leefomgeving, en dringen dieper door in de luchtwegen waardoor ze tot klachten kunnen leiden.

3. Verder komen er biologische agentia (= micro-organismen zoals bacteriën, parasieten, schimmels, gisten en virussen, of bestanddelen daarvan zoals endotoxinen) vrij. De achtergrondconcentratie in de buitenlucht is afhankelijk van seizoen, het weer, bedrijvendichtheid en diersoort. Ook de combinatie van op een bedrijf aanwezige dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk risico van uitwisseling van bacteriën of virussen tussen diergroepen (met bijbehorende kans op (voor de mens ongunstige) mutaties). Een voorbeeld van een vanuit volksgezondheid niet gewenste combinatie is het gemengd houden van varkens en pluimvee. Wanneer het aantal dieren per vierkante meter toeneemt kan een ziekteverwekker zich na introductie sneller verspreiden en gemakkelijker handhaven onder een grote veestapel.

4. Endotoxinen zijn een onderdeel van de buitenmembraan van gramnegatieve bacteriën. Ze komen vrij bij het afsterven van deze organismen. Vooral mest is een bron van endotoxinen in de stallucht. Endotoxinen kunnen zich, gebonden aan stofdeeltjes, via de lucht verspreiden. Ze binden zich vooral aan de wat grotere stofdeeltjes; in PM2,5 werd relatief weinig endotoxine aangetroffen.

5. Geur van een veehouderij is het resultaat van een mengsel van emissies, zoals waterstofsulfide, ammoniak en diverse vluchtige organische koofwaterstoffen (vetzuren, fenolen, et cetera). Het soort en aantal dieren, maar ook het stalsysteem, bepalen de mate van geuremissie. Voor de regeling geurhinder en veehouderij is per stalsysteem vastgesteld hoeveel geur een bepaald dier per seconde uitstoot. Varkens en kippen hebben relatief de meeste geuremissie, die van runderen is relatief laag. Een stal met vrije uitloop zorgt voor meer geuremissie dan een dichte stal met luchtwassers.

Publicatie 13/11/2023Uit nieuw onderzoek (zie hier) blijkt dat veehouderijen meer geurhinder bij omwonenden veroorzaken dan verwacht. Met deze nieuwe kennis kunnen de gevolgen van geurhinder op de gezondheid van omwonenden beter beleidsmatig worden gewogen.

Blootstelling aan agentia afkomstig van veehouderijen veroorzaken gezondheidseffecten

Uit vragenlijstonderzoeken blijkt dat omwonenden van veehouderijen vaak meer gezondheidsklachten (zoals luchtwegklachten, geurhinder en stressgerelateerde klachten) rapporteren dan vergelijkbare groepen mensen die niet nabij een veehouderij wonen.


Om in te zoomen op deze infographic, klikt u op deze link (klik hier).

Daarbij blijkt dat gezondheidseffecten al kunnen optreden beneden de wettelijke normen. Alle reden dus om te zorgen voor een zo laag mogelijke blootstelling en niet te doen aan normopvulling. Uit onderzoek blijkt dat omwonenden onder meer de volgende gezondheidsklachten kunnen krijgen:

1. Geur kan leiden tot (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, en stressgerelateerde gezondheidseffecten zoals hoofdpijn, misselijkheid en benauwdheid. Hinder wordt gezien als een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid dat optreedt wanneer een milieufactor iemands gedachten, gevoelens of activiteiten negatief beïnvloedt. De mate van hinder is afhankelijk van het diertype; zo wordt bij een zelfde geurbelasting het meeste hinder ondervonden van pluimveehouderijen, gevolgd door varkensbedrijven en dan de geur van rundveebedrijven.

2. Luchtwegklachten. Hoe kleiner de stofdeeltjes, hoe dieper ze in de longen kunnen doordringen en hoe schadelijker ze zijn. Blootstelling aan fijnstof (PM2,5-PM10) kan leiden tot luchtwegklachten, acute klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen, verminderde longfunctie, hart- en vaatziekten en vervroegde sterfte. Uit de VGO-onderzoeken blijkt dat bewoners van veedichte gebieden (meer dan 15 bedrijven binnen een straal van 1 km) vaker een verminderde longfunctie hebben. Het effect is sterker naarmate het aantal bedrijven binnen 1 km toeneemt. De afstand tot veehouderijen is hierbij niet van invloed.

3. Verhoogd voorkomen van longontsteking. In een straal van 2 km rond geitenhouderijen komt een verhoogde incidentie van longontstekingen voor. Daarbij is er een relatie met de afstand; hoe dichter mensen bij een geitenhouderij wonen, des te groter de kans op longontsteking. Het risico is het grootst binnen 500 meter van de geitenhouderij. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is nog niet bekend; hier vindt op dit moment vervolgonderzoek naar plaats.

Ook in de directe nabijheid van een pluimveebedrijf werd in de laatste update van de VGO analyse (2017-2019) een verhoogd risico gevonden op longontsteking binnen een afstand van 500 meter. Voor pluimveebedrijven zijn er aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan (onder andere endotoxinen) mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van de dieren kunnen echter niet worden uitgesloten.

4. Overdracht van zoönosen vindt voornamelijk plaats via voedsel of door direct contact met dieren of mest. Ziekteverwekkers die zich via de lucht (of via stof en aerosolen die door de lucht zweven) verspreiden, kunnen vooral bij uitbraken van besmettelijke dierziekten een risico vormen voor omwonenden. Uit het VGO-onderzoek bleek dat verschillende ziekteverwekkers zoals hepatitis E-virus, Clostridium difficile en resistente ESBL-bacteriën, niet vaker voorkomen bij mensen die dichtbij een veehouderij wonen dan bij mensen die verder weg wonen.

Positieve effecten

Opvallend is dat omwonenden van veehouderijen, net als mensen die zijn opgegroeid op veehouderijen, minder allergische klachten hebben. Ook komt er minder COPD en astma voor rondom veehouderijen. Echter, mensen die aan COPD lijden ondervinden wel meer complicaties en gebruiken meer medicijnen. Andere onderzoeken wijzen op een verband tussen verhoogde endotoxineconcentraties en het minder voorkomen van allergieën. Een verklaring hiervoor kan zijn dat een regelmatige blootstelling aan micro-organismen, zoals endotoxinen, beschermt tegen de ontwikkeling van allergieën, astma en COPD. Dit wordt de hygiënehypothese genoemd.

GGD-advisering – uitgangspunten

De GGD’en hanteren in de advisering de volgende belangrijke uitgangspunten:

  1. Voorzorg. Gezondheid wordt meegewogen bij nieuwe ontwikkelingen in de veehouderij of bij ontwikkelingen als de bouw van nieuwe gevoelige bestemmingen in de buurt van veehouderijen. Vanwege aanwijzingen dat omwonenden gezondheidseffecten kunnen ondervinden van veehouderijen, hanteren de GGD’en naast een algemeen afstandscriterium ook gezondheidskundige advieswaarden.
  2. Emissiereductie. De GGD’en vinden dat vanuit het oogpunt van gezondheid veehouderijen moeten streven naar vermindering van de emissie van geur, stof, endotoxinen en ammoniak. Ook onder de wettelijke normen worden gezondheidsrisico’s gelopen. Ondernemers worden uitgedaagd om alle mogelijke moeite te doen om emissies zo laag mogelijk te houden. Het is van belang bij het opstellen van omgevingsvisies en -plannen om goed na te denken over de ruimtelijke inrichting,
  3. Gezondheidskundige advieswaarden. De GGD’en vinden dat het voldoen aan de milieuwetgeving niet automatisch betekent dat er sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Bij het vaststellen van wettelijke grenswaarden worden ook andere aspecten dan enkel gezondheid, zoals bijvoorbeeld economische en technische haalbaarheid, meegewogen. Vandaar dat de GGD’en ter bescherming van de volksgezondheid adviseren onderstaande gezondheidskundige advieswaarden, waar enkel gezondheidsaspecten aan ten grondslag liggen, als uitgangspunt te nemen bij het beoordelen van een initiatief.
  • Afstanden veehouderij- gevoelige bestemmingen: Uit onderzoek blijkt dat hoe dichterbij een veehouderij ligt bij woningen, hoe hogere blootstelling aan stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen; wat tot een toename van gezondheidsrisico’s leidt. De GGD’en adviseren in zijn algemeenheid tenminste 250 meter afstand aan te houden tussen veehouderijen en nieuw te bouwen gevoelige bestemmingen. Hieronder vallen ook burgerwoningen/ voormalige bedrijfswoningen en plattelandswoningen.
    • Voor geitenhouderijen wordt geadviseerd een afstand aan te houden van 2 km tussen een gevoelige bestemming en een geitenhouderij.
    • Voor pluimveehouderijen wordt een afstand van 500 meter tussen bedrijf en gevoelige bestemming geadviseerd.
  • Luchtkwaliteit/ endotoxine: Ook onder de wettelijke normen (PM10 40 μg/m3, PM2,5 25 μg/m3) kan gezondheidswinst behaald worden. Vandaar het advies aan te sluiten bij de WHO-adviesaarden PM10 15 μg/m3, PM2,5 5 μg/m3 en voor NO2 10 μg/m3. Elke reductie van luchtverontreiniging zal leiden tot gezondheidswinst, zelfs op plekken met relatief schone lucht. De Gezondheidsraad ziet endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Er is een gezondheidskundige advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m3 endotoxinen. Uitgangspunt is dat er geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de endotoxinerichtafstand komen te liggen. Door reductie van de emissie van fijnstof zal de endotoxinerichtafstand kleiner worden en daarmee de kans op gezondheidseffecten bij omwonenden door blootstelling aan endotoxinen afnemen.
  • Advieswaarden voorgrondgeurbelasting: Voor de voorgrondgeurbelasting sluiten de GGD’en aan bij bijlage 6-7 van de handreiking Wet geurhinder veehouderij voor een niet-concentratie gebied. De GGD’en maken geen onderscheid tussen concentratiegebied en niet-concentratiegebied omdat deze niet gezondheidskundig is onderbouwd. Uitgaande van de beleidsmatige keuze van maximaal 12% gehinderden voor een woonkern en 20% gehinderden in het buitengebied komt dat overeen met 2 OU/m3 voor een woonkern en 5 OU/m3 voor het buitengebied.
  • Advieswaarden achtergrondbelasting: Het onderzoek van Geelen et al.[1] geeft op dit moment het best beschikbare beeld van de relatie tussen achtergrondgeurbelasting van veehouderij en mate van (ernstige) geurhinder binnen het onderzoeksgebied van Noord-Brabant en Limburg, zo concludeert het RIVM.[2] Daarom hanteren de GGD’en deze relaties voor de gezondheidskundige beoordeling en niet de resultaten uit het PRA onderzoek (1999) die als uitgangspunt voor de Wgv hebben gediend. Uitgaande van maximaal 12% geurgehinderden voor een woonkern en 20% voor het buitengebied, komt dat overeen met een achtergrondgeurbelasting van 5 OU/m3 voor een woonkern en 10 OU/m3 voor het buitengebied.[3] Voor dieren waarvoor geen wettelijke emissiefactor is vastgesteld, zoals jongvee en paarden en die dus niet worden meegenomen in de berekening van de voor- en achtergrondgeurbelasting, geldt een afstandscriterium. Door de GGD’en wordt hiervoor aangesloten bij de richtlijn zoals opgesteld door de VNG. Deze bedraagt minimaal 100 meter. Binnen deze afstand zouden geen geurgevoelige objecten moeten liggen. Gaat het om grote bedrijven met veel dieren, dan is het advies de afstand te vergroten om zo de kans op hinder te verminderen. Verder pleiten de GGD’en ervoor om de 50% regeling af te schaffen die thans in de Wgv is opgenomen. Door deze regeling blijven overbelaste gebieden/ bestaande knelpunten veelal overbelast. Ook het ontbreken van een prikkel in de wetgeving op zogenaamde stilzitters te stimuleren om emissie reducerende maatregelen te nemen en daarmee bij te dragen aan het verbeteren van het leef- en woonklimaat is een doorn in het oog van de GGD’en. De GGD’en juichen het daarom toe dat de staatssecretaris in haar brief van 7 juli 2023 heeft voorgesteld de wetgeving hierop aan te scherpen.
  • Landschappelijke inpassing heeft een directe relatie met gezondheid. Bomen en struiken hebben een positief effect op gezondheid door de invloed op geluid en het minder optreden van geluidhinder. De hoeveelheid groen in de woonomgeving hangt samen met de ervaren gezondheid van bewoners. Wees echter bedacht op bijkomende negatieve effecten, welke kunnen worden veroorzaakt door pollen en schimmelsporen afkomstig van bomen. Deze stoffen kunnen de gezondheid van allergische en/of astmatische personen negatief beïnvloeden. Een goede landschappelijke inpassing kan leiden tot minder weerstand tegen een dergelijke ontwikkeling.

[1] Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?, Geelen et al., 2015
[2] Oplegnotitie – Resultaten duidingsonderzoek en bouwstenen voor beleid & Bijlage rapport ‘Verschillen tussen twee studies naar geurbelasting geurhinderrelaties nader onderzocht’. Te downloaden via deze RIVM-link.
[3] Deze waarden wijken af van de waarden voor de achtergrondgeurbelasting uit de provinciale verordening (respectievelijk 20 en 10 OU/m3).