Biomassacentrales en -installaties

Energie (en warmte) verkrijgen uit biomassa is een belangrijk onderdeel van de klimaatplannen. Maatregelen die het klimaat ten goede komen, komen vaak ook direct ten goede aan de gezondheid van de mens. Dat is echter geen vanzelfsprekendheid en daarom moeten bij het nemen van klimaatmaatregelen, ook gezondheidseffecten altijd worden meegewogen.

De term biomassacentrales wordt voor heel veel verschillende centrales en installaties gebruikt. De manier waarop energie kan worden gewonnen uit biomassa loopt uiteen van vergisten tot verbranden en van heel kleine installaties tot heel grote centrales. Ook de biomassa varieert van reststromen uit de levensmiddelenindustrie tot maai- of snoeiafval en van mest tot hout of houtpellets. Dit alles leidt tot grote variatie in de uitstoot én de mogelijke gezondheidseffecten van verschillende biomassacentrales en -installaties.

Wij pleiten voor het meewegen van gezondheidseffecten bij de keuze voor het al dan niet inzetten van biomassacentrales en -installaties (en de evt. locatiekeuze). Hoe meer luchtverontreiniging er in een bepaald gebied is, hoe meer gezondheidsschade er optreedt. Ook geuroverlast leidt tot gezondheidsklachten. Vanuit gezondheidskundig oogpunt adviseert de GGD om blootstelling aan luchtverontreiniging en geuroverlast te beperken, zeker op plekken waar mensen langdurig verblijven.

  • Biomassacentrales en –installaties stoten verschillende luchtverontreinigende stoffen uit. Bij verbranding van hout(pellets) komt onder andere fijnstof vrij (in tegenstelling tot bij de verbranding van aardgas). Inademen hiervan kan tot gezondheidseffecten leiden, waaronder luchtwegklachten, hart- en vaatziekten en longkanker. Ook kunnen biomassacentrales en -installaties leiden tot geuroverlast. Meer informatie over gezondheidseffecten staat in GGD standpunt Houtrook.
  • De hoeveelheid luchtverontreiniging die iemand inademt, de blootstelling, is bepalend voor de hoogte van het risico op gezondheidseffecten. Hoe hoger de blootstelling in een bepaald gebied is, hoe meer gezondheidsschade er optreedt.  De blootstelling wordt bepaald door zowel de uitstoot als door factoren die de verspreiding bepalen, zoals afstand tot woningen, de weersomstandigheden, de hoogte van de schoorsteen en de warmte-inhoud van de pluim uit de schoorsteen.
  • De wet- en regelgeving waar kleinschalige installaties of middelgrote centrales aan moeten voldoen zijn veel minder streng dan grote centrales. Zij mogen daardoor relatief veel meer fijn stof uitstoten en hebben meestal geen filters, terwijl ze vaak juist dichtbij woningen liggen. In veel Nederlandse woongebieden geven biomassa-installaties (met name houtgestookte ketels), vanwege de rook die zij uitstoten, nu al veel overlast en onrust. Het kabinet laat TNO momenteel onderzoeken of de uitstooteisen voor kleinere en middelgrote biomassa-installaties (0,5 – 50 MW) verder kunnen worden aanscherpt vanaf 2022.

Houtrook is altijd ongezond. Vanuit gezondheidskundig oogpunt is het goed om blootstelling aan houtrook in de directe woonomgeving zoveel mogelijk te beperken (GGD standpunt Houtrook). De GGD adviseert gemeenten daarom zodanige voorwaarden aan houtgestookte biomassa-installaties in of nabij woongebieden te stellen dat schadelijke effecten op de volksgezondheid voorkomen worden.